Verloren helden

In memoriam: Blue Öyster Cult-toetsenist Allen Lanier (1946-2013)

Allen Lanier, een van de oorspronkelijke bandleden van Blue Öyster Cult, is gisteren op 67-jarige leeftijd overleden. De toetsenist en gitarist leed aan de longziekte COPD.

In het New York van 1967 vormt Lanier met gitarist Buck Dharma, zanger Les Braunstein (snel vervangen door Eric Bloom), bassist Andrew Winters en drummer Albet Bouchard de band Soft White Underbelly, dat na vele optredens en naamswisselingen in 1971 omgedoopt wordt tot Blue Öyster Cult. Vaak wordt gezegd dat Lanier de bedenker is van de puntjes op de ‘o’ in de bandnaam, maar Richard Meltzer (die vaak teksten schrijft voor de band) beweert dat het een idee van hem is.

De eerste twee albums Blue Öyster Cult (1972) en Tyranny And Mutation (1973) zijn in commercieel opzicht weinig succesvol, maar de band weet wel een ‘cult following’ op te bouwen. Allen Lanier krijgt een verhouding met een dan nog onbekende Patti Smith, later bekend als ‘The Godmother of Punk’, die poëtische teksten bijdraagt aan het werk van BÖC. Het werk van de band wordt dan ook gezien als een intelligentere vorm van heavy metal.

Na de briljante lp Secret Treaties (1974) breekt Blue Öyster Cult definitief door met de overbekende classic rock-kraker (Don’t Fear) The Reaper, van het album Agents Of Fortune (1976). Op die lp staat Lanier meer op de voorgrond; het nummer True Confessions is door hem geschreven en gezongen. Hij werkt ook als co-auteur of gastmuzikant mee aan een drietal beroemde albums van Patti Smith: Horses (1975), Radio Ethiopia (1976) en Easter (1978).

Blue Öyster Cult blijft ondertussen redelijk succesvol met albums als liveklassieker Some Enchanted Evening (1978) en Fire Of Unknown Origin (1981, inclusief de hit Burnin’ For You). Lanier verlaat de band in 1985, vanwege artistieke meningsverschillen (naar verluidt vindt de muzikant het nieuwe geluid van de band maar niets en is hij ook niet tevreden met het grote aantal schrijvers dat bijdraagt aan de songs). Op de eerstvolgende BÖC-studioplaat Club Ninja is zijn vervanger Tommy Zvoncheck.

Twee jaar later keert Lanier toch weer terug. Hij blijft toetsenist van Blue Öyster Cult tot hij in 2006 wil stoppen met optreden. Echter, in november 2012 verschijnt hij toch nog een laatste keer op het podium met zijn oude collega’s van de invloedrijke hardrockband, tijdens een concert in New York. Op 14 augustus overlijdt hij aan de gevolgen van de longziekte COPD.

Zanger Eric Bloom schrijft op Facebook: “Mijn goede vriend Allen Lanier is overleden. Ik zal hem missen ook al hebben we elkaar al een tijdje niet meer gesproken. Hij was een erg getalenteerd muzikant en denker. Hij was een gulzig lezer van allerlei dingen, vooral vergelijkende godsdienstwetenschappen. We hebben jaren samen gereisd en in de beginjaren waren we kamergenoten. We feestten, lachten en speelden. Alle Blue Öyster Cult-fans en bandleden zullen zijn dood betreuren.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: Legendarische ‘Rock ‘N’ Roll Animal’ Lou Reed (1942-2013)

Lou Reed overleed gisteren op 71-jarige leeftijd. Daarmee is de wereld een van de grootste rockiconen armer. Diverse vrienden en collega’s reageerden via social media op de dood van de eigenzinnige kunstenaar.

Een legende als Lou Reed heeft geen introductie meer nodig. Alleen al dankzij zijn werk als lid van The Velvet Underground had hij een gigantische invloed op de toekomst van de rockmuziek, terwijl hij als solist bekend is van klassiekers als Walk On The Wild Side en Perfect Day. In juni vorig jaar gaf Reed nog een gedenkwaardig concert in de Heineken Music Hall, waarbij hij onder meer materiaal van The Velvet Underground en zijn samenwerking met Metallica uitvoerde.

Dankzij zijn met de jaren steeds meer naar praten neigende zang en bijzondere, innovatieve gitaarwerk werd Reed een van de meest onderscheidende rockmuzikanten. Ook de poëtische teksten van zijn hand, die niet zelden controversiële thema’s als dood, seks en drugs behandelden, zijn tot op de dag van vandaag onvergelijkbaar, terwijl een toepasselijk getitelde plaat als Rock ‘N’ Roll Animal (1974) bewees dat hij ook live sensationeel kon zijn.

Nadat hij in 1964 naar New York verhuisde, ontmoette Reed violist John Cale en richtte hij The Velvet Underground op. Kunstenaar Andy Warhol merkte het experimentele gezelschap op toen hij kwam kijken bij een optreden in Café Bizarre. Bijgestaan door zangeres Nico kwam de legendarische lp The Velvet Underground & Nico (1967) tot stand, gestoken in Warhols befaamde ‘banaanhoes’. De drie albums die dit experimentele gezelschap vervolgens tussen 1968 en 1970 uitbracht, verkochten niet al te goed, maar worden tegenwoordig door critici de hemel in geprezen. In deze periode schreef Reed al een groot aantal van zijn beroemdste songs, waaronder I’m Waiting For The Man, I’ll Be Your Mirror, White Light/White Heat, Pale Blue Eyes en natuurlijk het lied met een van de beroemdste rockriffs aller tijden: Sweet Jane.

Nadat hij The Velvet Underground in 1970 verliet, nam Reed een weinig succesvol en titelloos solodebuut op, opmerkelijk genoeg bijgestaan door leden van progband Yes. Die lp werd in hetzelfde jaar (1972) gevolgd door het vele malen betere Transformer, geproduceerd door David Bowie en gitarist Mick Ronson. Deze plaat sloeg wel aan en bracht vier van Reeds grootste klassieker voort: de nog steeds verdomd goed klinkende hit Walk On The Wild Side, Perfect Day, Vicious en Satellite Of Love.

Moedig genoeg bracht de zanger vervolgens het sombere meesterwerk Berlin (1973) uit, dat destijds op weinig goede kritieken kon rekenen. Nummers als Sad Song en The Kids gingen door merg en been. Met name die laatste, vooral dankzij het huiveringwekkende gehuil van kinderen. Veel toegankelijker waren de liveplaat Rock ‘N’ Roll Animal, waarvan met name de versie van Sweet Jane (voorafgegaan door een heerlijk gitaarintro) bekend is, en Sally Can’t Dance. Op laatstgenoemde stond het aangrijpende Kill Your Sons, over zijn tijd in een psychiatrisch ziekenhuis. De ouders van de toen jonge Reed dachten hem daarmee van zijn psychologische problemen af te helpen.

Onluisterbaar. Zo werd door veel fans en critici het dubbelalbum met gitaarfeedback Metal Machine Music (1975) genoemd. Opnieuw bewees Reed zich een van de meest eigenzinnige artiesten van zijn tijd, maar door deze logischerwijs geflopte plaat nam zijn succes flink af, ondanks de hoge kwaliteit van de ‘gewonere’ opvolger Coney Island Baby. Eveneens uitstekend was Street Hassle (1978), met een titeltrack waarin niemand minder dan Bruce Springsteen langskwam. “Ik kende Steve Van Zandt en we vroegen Steve of Bruce een monoloog wilde doen voor dit nummer. Bruce stemde toe… maar we mochten zijn naam niet gebruiken. Ik had gewild dat alle Bruce-fans de plaat hadden gekocht, maar aangezien we zijn naam niet mochten vermelden, denken ze dat ze mij hem horen imiteren.”

Ook begin jaren tachtig bleven de albums vrij slecht verkopen, ook al waren de lp’s The Blue Mask (1982) en Legendary Hearts (1983) misschien wel de beste die hij sinds Berlin had gemaakt. De grote comeback volgde pas in 1989, met het album New York. De teksten waren zo briljant als vanouds, terwijl ook het geïnspireerde gitaarwerk van Mike Rathke en Reed zelf opviel. Eveneens magistraal was de plaat die hij met oud-Velvets-collega John Cale maakte voor Andy Warhol: Songs For Drella, inclusief onder meer Reeds emotionele Hello It’s Me. De dood speelde opnieuw een hoofdrol in de teksten op het onderschatte Magic And Loss (1992).

Met Cale werkte Reed in 1993 opnieuw samen voor reünieoptredens van The Velvet Underground. Het bleken ook de laatste van de band, want twee jaar later stierf (bas)gitarist Sterling Morrison. Aan hem droeg Reed het lied Finish Line op, te vinden op Set The Twilight Reeling (1996). Voor die plaat nam hij verder ook onder meer het humoristische Sex With Your Parents (Motherfucker) op.

Reed begon het nieuwe millennium sterk met een van zijn vele onderschatte werken: Ecstasy (2000), gevolgd door het met gastartiesten als David Bowie en Antony Hegarty opgenomen The Raven (2003). Daarna bracht de rocker lange tijd geen platen meer uit, maar droeg hij wel bij aan platen van moderne acts als The Killers en Gorillaz. Een optreden met Metallica ter gelegenheid van het vijfentwintigjarige bestaan van de Rock & Roll Hall Of Fame resulteerde in het bijzonder slecht ontvangen album Lulu (2011).

Lulu bleek Reeds laatste plaat. Eerder dit jaar maakte zijn vrouw Laurie Anderson bekend dat hij een levensreddende levertransplantatie had ondergaan. Reed verklaarde vervolgens: “Ik kijk ernaar uit om weer op het podium op te treden, en om meer songs te schrijven die verbonden zijn met jullie harten en geesten, en het universum tot ver in de toekomst.”

Gisteren overleed Reed op 71-jarige leeftijd in zijn huis in Long Island. De oorzaak van zijn dood is nog niet bekend. Op Facebook schrijft ex-collega John Cale: “De wereld is een geweldige songwriter en dichter kwijtgeraakt… Ik ben mijn schoolpleinmaatje kwijt.” Een andere beroemde en bevriende muzikant, David Bowie, noemt Reed een ‘meester’. Tijdens het Bridge School Benefit in Mountain View, Californiё brachten onder anderen Neil Young en Elvis Costello gisteren een ode aan de legendarische ‘Rock ‘N’ Roll Animal’.

Bekijk ook onze lijst met de tien beste songs van Lou Reed.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: Caravan-drummer Richard Coughlan (1947-2013)

Richard Coughlan, de oorspronkelijke drummer van de progressieve rockformatie Caravan, is op 66-jarige leeftijd overleden. Hij speelde op geprezen albums als If I Could Do It All Again, I’d Do It All Over You en de klassieker In The Land Of Grey And Pink.

Coughlan, geboren in Kent, volgde in 1966 de beroemde Robert Wyatt op als drummer van The Wilde Flowers. Hoewel de band slechts kort bestond en geen echte successen boekte, was deze act van groot belang voor de zogeheten Canterbury Scene. De verschillende leden richtten namelijk de invloedrijke bands The Soft Machine en Caravan op.

“The Wilde Flowers gaven niet veel optredens”, vertelde Coughlan in de BBC-documentaire Prog Rock Britannia, “Misschien één per week, want we waren niet echt populair. De leden luisterden graag naar Thelonious Monk, John Coltrane en Dizzy Gillespie, en probeerden een soort dansbare versie van dat soort muziek te maken. Gewoon om anders en lastig te zijn.”

De overgebleven Wilde Flowers-leden Coughlan, bassist Richard Sinclair, gitarist Pye Hastings en toetsenist David Sinclair besloten verder te gaan onder de naam Caravan. Eenmaal gecontracteerd bij Verve Records verscheen in 1968 het titelloze debuut, waarop de band een eigen sound wist te ontwikkelen door psychedelische en progressieve rock te combineren met invloeden uit klassiek en jazz.

Het debuut werd twee jaar later overtroffen werd door de lp met de opmerkelijke titel If I Could Do It All Over Again, I’d Do It All Over You, maar voor velen is het voor progliefhebbers onmisbare derde album In The Land Of Grey And Pink (1971) het hoogtepunt uit het oeuvre van Caravan. Hoe goed Coughlan als drummer was, is onder meer te horen in het zeer complexe, ruim 22 minuten durende epos Nine Feet Underground. De artistieke hoogtijdagen uit de vroege jaren zeventig wist de band later niet meer te evenaren. Caravan ging begin jaren tachtig uit elkaar, maar was vanaf 1990 weer actief. De band stond vorige maand nog in de Boerderij te Zoetermeer, al was Coughlan wegens ziekte niet meer van de partij.

Op de officiële Facebook-pagina van Caravan werd het overlijden van Coughlan bekendgemaakt: “Met groot verdriet kondigen we aan dat Richard Coughlan op zondag 1 december overleden is. Richard was een van de oprichters van Caravan en langer dan 43 jaar de drummer. Hij stierf in zijn huis en verkeerde de afgelopen jaren in slechte gezondheid.”

Volgens Kent Online reageerde Caravan-bandlid Pye Hastings als volgt: “Richard was een uitstekende muzikant en zal voor altijd herinnerd worden. Niet alleen door ons, maar door fans overal ter wereld. Wat hij Caravan door de jaren heen gegeven heeft, was uniek en compleet onmeetbaar.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: Ex-Toto-zanger Fergie Frederiksen (1951-2014)

Voormalig Toto-frontman Dennis ‘Fergie’ Frederiksen is op 62-jarige leeftijd overleden. De zanger is te horen op het album Isolation (1984) en werkte ook met bands als Le Roux en Survivor.

De in Michigan geboren Frederiksen begon zijn muzikale carrière al in zijn tienerjaren, beïnvloed door zangers als Robert Plant, Paul Rodgers en Stevie Wonder. Hij verving Tommy Shaw (later bekend van Styx) in de band MSFunk, waarna zijn typerende hoge stemgeluid te horen was bij bands als Trillion en aor-formatie Le Roux. Ook zong Frederiksen mee op uiterst succesvolle albums als Eye Of The Tiger van Survivor.

Dankzij producer en bassist Ricky Phillips kreeg Toto-drummer Jeff Porcaro een tape van de talentvolle zanger in handen. “Voor ik het wist werd ik gevraagd om bij Toto te komen”, aldus Frederiksen in de biografie op zijn website. Hij verving de ontslagen Bobby Kimball, die met de overige leden al bezig was aan de opvolger van het megasucces Toto IV. Met Frederiksen werd het redelijk succesvolle album Isolation (1984) afgemaakt, waarvan een hele reeks singles getrokken werd maar alleen Stranger In Town de Amerikaanse top 40 bereikte.

“Het was een avontuurlijke plaat”, zei de zanger later over Isolation, “Hier hoorde je een band die een risico nam door een minder commercieel album te maken dan de voorganger. Het was een zwaarder en progressiever werk, maar het is nog steeds een erg goed album.” Hoewel Frederiksen nog wel te zien is op de bandfoto op de Toto-soundtrack van Dune – ook uit 1984 – was deze lp afgezien van dialoog uit de film een instrumentaal werk.

Frederiksens bleef niet lang bij Toto. Ook hij werd ontslagen om vervangen te worden door Joseph Williams – met wie de band een commerciële comeback maakte met het album The Seventh One (1988). De zanger trok zich terug omdat hij genoeg had van de muziekbusiness, totdat hij halverwege de jaren negentig een album uitbracht met de eerder genoemde Ricky Phillips (tegenwoordig overigens de bassist van Styx).

In het nieuwe millennium, in 2007, stond Frederiksen weer even op het podium met zijn oud-collega’s van Toto tijdens een Amerikaanse tour. Drie jaar later maakte hij bekend dat hij leverkanker had. Sindsdien bracht de rocker twee soloalbums uit op het Frontiers-label: Happiness Is The Road (2011) en het vorig jaar verschenen Any Given Moment – waarvoor hij het lied Angel Don’t Cry van Toto’s Isolation opnieuw opnam.  De titel van zijn laatste plaat verklaarde Frederiksen als volgt in een persbericht: “Je weet nooit wat er kan gebeuren. Maar als je liefde, vertrouwen, familie en vrienden hebt, maakt het de uitdagingen in het leven makkelijker te overwinnen. Ik ben dankbaar dat ik dat allemaal heb.”

Op zijn officiële website werd gisteren het overlijden van Frederiksen bekendgemaakt: “Het is met pijn in het hart dat ik moet mededelen dat mijn Fergie Frederiksen op 18 januari overleden is. Hij heeft geen pijn geleden en zijn werk blijft voortleven! Fergie is een ware overwinnaar en vechter geweest en daardoor bracht hij nog een paar extra jaren met ons door.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: Iggy & The Stooges-drummer Scott Asheton (1949-2014)

Scott Asheton, de invloedrijke drummer van Iggy & The Stooges, is op 64-jarige leeftijd overleden. Samen met Iggy Pop was hij het enige oorspronkelijke lid dat deel uitmaakte van alle bezettingen van de band.

Iggy Pop maakte het nieuws gisterenavond bekend in een bericht op zijn Facebook-pagina. “Mijn goede vriend Scott Asheton is afgelopen nacht overleden”, schreef de zanger, “Scott was een geweldige artiest, ik heb nooit iemand meer betekenis horen geven aan de drums dan hij. Hij was als een broer voor me en samen met Ron [Asheton] heeft hij de wereld een grote erfenis nagelaten. De Ashetons waren altijd als een tweede familie voor mij en dat zijn ze nog steeds.”

Scott Asheton beïnvloedde met zijn meedogenloze percussie op de Stooges-platen een heleboel latere punkdrummers. De in Washington geboren muzikant maakte al op jonge leeftijd muziek met zijn broer Ron en goede vriend Dave Alexander, die beiden ook deel uitmaken van de band op de legendarische eerste twee albums The Stooges (1969, geproduceerd door John Cale van The Velvet Underground) en Fun House (1970). Beide albums deden het net als de derde lp Raw Power (1973) in commercieel opzicht niet heel goed, maar de invloed op latere punkbands als Ramones en Sex Pistols bleek gigantisch.

In 1974 kwam een (voorlopig) einde aan de machtige platen en de wilde shows toen de band besloot uit elkaar te gaan. In een interview zei Asheton over de breuk: “Toen we stopten, voelde het alsof ik een familie was kwijtgeraakt. Ik bleef in bands spelen, maar het voelde nooit meer als mijn thuis. Ik was niet meer bij de band waar ik bij hoorde, The Stooges, en dat was een triest gevoel.”

Tegen het einde van de jaren zeventig speelde Asheton bij Sonic’s Rendezvous Band, een nieuw project van gitarist Fred ‘Sonic’ Smith (bekend van MC5). Pas in 2003 kwam The Stooges weer bij elkaar, met als resultaat enkele nieuwe nummers op Iggy Pop’s soloalbum Skull Ring. Vier jaar later kwam er ook weer een volledige plaat van de garagerockers: de slecht ontvangen vierde studioplaat The Weirdness. In dat jaar vond ook een memorabel optreden op het Nederlandse Pinkpop-festival plaats.

Ashetons oudere broer Ron stierf in 2009 aan de gevolgen van een hartaanval. Iggy Pop besloot door te gaan met de band, nu met gitarist James Williamson. In juni 2011 stopte Scott Asheton met toeren nadat hij met spoed naar het ziekenhuis werd gebracht, naar verluidt vanwege een beroerte. Wel speelde de drummer nog mee op het vorig jaar verschenen Iggy & The Stooges-album Ready To Die. Onlangs liet Williamson weten dat er nog een album in het verschiet ligt, ditmaal zonder Iggy. Re-Licked, zoals de plaat heet, bevat niet eerder uitgebrachte Stooges-nummers die opnieuw zijn opgenomen met enkele beroemde gastzangers, onder wie Mark Lanegan.

Scott Asheton overleed zaterdag op 64-jarige leeftijd. De doodsoorzaak is nog niet bekend.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: Ed Gagliardi, de originele bassist van Foreigner (1952-2014)

Ed Gagliardi, een van de oorspronkelijke leden van Foreigner, is op 62-jarige leeftijd overleden. De bassist stierf gisteren na een lang gevecht tegen kanker.

Het overlijden van Gagliardi werd bekendgemaakt door zijn dochter Nicole. Zij schreef op Facebook: “Ik wil graag voorkomen dat er onjuiste informatie verspreid wordt en jullie laten weten dat mijn vader vannacht overleden is, na een acht jaar durende strijd tegen kanker. Er zijn geen woorden voor. We zijn geschokt en onze harten zijn gebroken, bedankt dat jullie trouw fan zijn gebleven van een geweldige man.”

Gagliardi was een van de drie Amerikanen in de originele bezetting van de populaire Brits-Amerikaanse rockband. Hij bleef slechts enkele jaren bij de groep, maar deed in die tijd wel mee op twee succesvolle albums: Foreigner (1977) en Double Vision (1978). Zijn spel is dus te horen in hits als Cold As Ice, Feels Like The First Time en Hot Blooded.

In zijn boek Juke Box Hero: My Five Decades In Rock ‘N’ Roll schrijft de voormalige Foreigner-frontman Lou Gramm over deze beginjaren: “Ik denk dat iedereen, met uitzondering van Gagliardi, zijn plek snel vond. Ed was het minst ervaren bandlid – hij had in het verleden vooral in coverbands gespeeld – en hij en Mick [Jones, gitarist] lagen vanaf het begin van onze repetities al met elkaar overhoop. Mick wilde de bassound simpel houden, en Ed had de neiging om te veel te spelen.”

Voor de band aan de slag ging met het derde album Head Games werd Gagliardi vervangen door bassist Rick Wills. “Zoals ik al schreef, was Ed soms heel koppig”, schrijft Gramm verderop in zijn boek, “Hij speelde nummers zoals hij dat wilde, niet zoals ze waren geschreven. Mick moest sessies stopzetten om Ed bij de les te houden en na een tijdje werd dat vermoeiend. Het vertraagde de opnames. Ed was erg geraakt door het nieuws, hij viel zelfs flauw nadat we het hem vertelden.”

Samen met een ander voormalig Foreigner-lid, toetsenist Al Greenwood, richtte de ontslagen bassist begin jaren tachtig het weinig succesvolle Spys op. In een interview met Examiner zei Lou Gramm vorig jaar dat Gagliardi een van de twee oude bandleden was dat hij niet meer heeft gesproken: “Ik heb contact met iedereen. De enige van wie ik niets meer hoor en die ik niet meer spreek, is de originele bassist Ed Gagliardi. Hij woont in Atlanta. Ik hoor ook niets meer van zijn vervanger Rick Wills, die in Engeland woont.”

Dat contact werd kennelijk toch hersteld. Op zijn Facebook-pagina reageerde Gramm namelijk als volgt op Gagliardi’s dood: “Het is met pijn in het hart dat ik de fans moet vertellen dat Foreigners originele bassist Ed Gagliardi gisteravond overleden is. Ik heb Ed een paar weken geleden nog gesproken en we hadden plannen om elkaar weer te zien bij mijn show in Orlando, Florida op 31 juli. Rust in vrede, Ed.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: legendarische bluesgitarist Johnny Winter (1944-2014)

Woensdag 16 juli overleed in zijn hotel in Zürich, Zwitserland de zeventigjarige Amerikaanse bluesrockgitarist-zanger-songwriter en producer Johnny Winter. Vier dagen eerder speelde hij zijn allerlaatste concert op een festival in het Oostenrijkse Wiesen.

John Dawson Winter III werd op 23 februari 1944 geboren in Beaumont, Texas. Evenals zijn jongere broer Edgar (1946) werd hij als albino geboren, wat goed te zien was aan de witte haardossen van beide broers. Sinds het eind van de jaren vijftig was hij actief in de muziek, toen hij tien jaar oud was trad hij samen met Edgar op een schoolfeestje op, waarbij ze liedjes van The Everly Brothers zongen.

Op zijn vijftiende maakte hij zijn plaatdebuut, toen hij met zijn band Johnny And The Jammers School Day Blues opnam voor een platenlabel uit Houston. In diezelfde tijd zag hij diverse blueslegenden optreden, zoals Muddy Waters, B.B. King en Bobby ‘Blue’ Bland. In 1968 kwam zijn eerste album The Progressive Blues Experiment uit, op een klein label.

In 1968 werd hij door zijn samenwerking met Mike Bloomfield en Al Kooper tijdens een concert ‘ontdekt’. Dit was voor Columbia Records aanleiding om hem een voor die tijd bijzonder contract (ter waarde van $ 600.000) aan te bieden. In 1969 kwam zijn eerste album op Columbia uit, simpelweg Johnny Winter getiteld. Deze lp was erg succesvol en bracht hem op diverse festivals, waaronder Woodstock. Zijn tweede album kwam in 1969 uit en was Second Winter getiteld. Bijzonder aan deze dubbelaar was dat slechts drie plaatkanten af te spelen waren, de vierde was helemaal leeg.

Van Johnny Winter verschenen tot nu toe (sinds 1968) 18 studioalbums, tenminste acht liveplaten en twaalf verzamelaars. Als producer was hij actief op vijf albums van blueslegende Muddy Waters. Ook produceerde hij een langspeler voor Sonny Terry.

In februari dit jaar verscheen de boxset True To The Blues: The Johnny Winter Story. Begin september staat de release gepland voor zijn nieuwste album Step Back, waarop hij medewerking kreeg van muzikale grootheden als Eric Clapton, Billy Gibbons en Joe Perry. Onlangs ging ook de documentairefilm Johnny Winter: Down & Dirty in première tijdens het SXSW-festival.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: Alice Cooper-gitarist Dick Wagner (1942-2014)

Gitarist Dick Wagner, bekend van zijn werk met onder anderen Alice Cooper en Lou Reed, is gisteren op 71-jarige leeftijd overleden. Naast zijn onvergetelijke gitaarpartijen op andermans platen schreef hij mee aan hits als Shine Silently van Nils Lofgren.

Wagner werd onlangs in een ziekenhuis in Arizona opgenomen vanwege ademhalingsproblemen, nadat hij eerder al een hartoperatie onderging. Gisteren maakte de website van de gitarist het nieuws van zijn overlijden bekend: “Het is met groot verdriet dat we laten weten dat Dick Wagner deze wereld verlaten heeft. Dick had een groot hart, misschien dat het hem daarom zo veel problemen bezorgde. Zijn hart was gewoon gevuld met te veel liefde, muziek en leven.”

In zijn carrière werkte Wagner met veel grote classic rock-namen, maar met niemand anders wordt hij zo vaak geassocieerd als met Alice Cooper. De in Iowa geboren gitarist maakte in de vroege jaren zeventig even deel uit van de band Ursa Major, die een plaat maakte met producer Bob Ezrin (bekend van Cooper-klassiekers als Billion Dollar Babies). Via hem kwam Wagner in contact met de excentrieke rockster en mocht hij meespelen in het nummer My Stars van het album School’s Out (1972).

In het jaar erna werkte Wagner met Lou Reed aan het duistere conceptalbum Berlin (ook al geproduceerd door Ezrin), waarna hij ook toerde met de voormalige Velvet Underground-zanger en gitarist. Die tournee leverde het beroemde livealbum Rock ‘N’ Roll Animal op. In die band speelde ook Steve Hunter, een andere topgitarist die nog veel met Wagner en Alice Cooper zou samenwerken.

Het eerste resultaat van die collaboratie was Alice’s eerste soloplaat Welcome To My Nightmare (1975), die onder meer het mede door Wagner geschreven Only Women Bleed bevat. Hij en Steve Hunter bewezen zich ook live een geweldig gitaarduo. Wagner speelde mee op veel volgende Alice Cooper-albums, waaronder Goes To Hell (1976) en de meest recente plaat Welcome 2 My Nightmare (2011), uiteraard een vervolg op die eerste volledige lp die Wagner in 1975 maakte met de shockrocker.

Wagner schreef mee aan enkele grote rockhits: behalve de Alice Cooper-ballad How You Gonna See Me Now deelde hij ook de credits voor onder meer Shine Silently van E-Street Band-gitarist Nils Lofgren. Zijn gitaartalent is verder te horen op albumklassiekers als Destroyer van Kiss en het debuut van Peter Gabriel.

Alice Cooper gaf met het volgende bericht een reactie op het overlijden van zijn bandmaat: “Ook al weten we dat het onvermijdelijk is, we verwachten het nooit als we plotseling onze naasten verliezen. Dick Wagner en ik deelden net zoveel plezier als succesvolle platen. Hij was ‘one of a kind’. Hij is onvervangbaar. Zijn stijl van spelen en schrijven zie je niet meer tegenwoordig en ik heb met weinig andere muzikanten met zoveel plezier gewerkt als met Dick Wagner.”

“Veel van mijn succes op de radio is te danken aan mijn samenwerking met Dick. Niet alleen op het podium, maar ook in de studio. Enkele van mijn grootste singles waren ballads die ik met hem schreef. Er was gewoon een soort magie als we samen schreven. Hij was altijd in staat om het juiste akkoord te vinden dat paste bij wat ik aan het doen was. We danken altijd dat onze beste vrienden net zo lang blijven leven als wijzelf, maar het nieuws van Dicks overlijden kwam als een plotselinge schok en het is een enorm verlies voor mij, de rock & roll en zijn familie.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

Rory Gallagher-drummer Rod de’Ath op 64-jarige leeftijd overleden

Onlangs schreven we over het inmiddels veertig jaar oude Irish Tour ’74, het monumentale livealbum van Rory Gallagher. Rod de’Ath, de drummer op die en enkele andere bekende platen van de Ierse meestergitarist, is afgelopen vrijdag op 64-jarige leeftijd overleden.

De in Wales geboren De’Ath, die eerder in de formatie Killing Floor speelde, kwam in 1972 bij de band van Rory Gallagher. In eerste instantie zou hij de tijdelijke vervanger van Wilgar Campbell zijn. De’Ath werd echter fulltime lid en drumde in de volgende jaren op vijf Gallagher-lp’s: Blueprint (1973), Tattoo (1973), Irish Tour ’74, Against The Grain (1975) en Calling Card (1976). Ook is hij te horen op het postuum verschenen album Notes From San Francisco (2011), met nooit eerder uitgebrachte opnames uit 1977.

In 1978 verliet De’Ath de band, samen met toetsenist Lou Martin. Samen richtten zij de groep Ramrod op. In de jaren tachtig was de drummer verder actief als lid van de r&b-band Downliners Sect. Zijn carrière kreeg een tragische wending toen De’Ath bijna omkwam bij een zwaar ongeluk dat hem een oog kostte. Ook liep hij hersenletsel op en belandde hij in coma. Hij kwam er weer bovenop en verhuisde naar Londen. Veel werd er niet meer van hem vernomen, maar hij kwam nog wel opdagen tijdens een herdenkingsdienst voor Rory Gallagher en bij de begrafenis van ex-collega Lou Martin in 2012.

In juni dit jaar onderging De’Ath nog een zware operatie. Ted McKenna, die hem in 1978 verving als drummer in Gallaghers band, maakte het nieuws van zijn overlijden (waarschijnlijk is hij in zijn slaap overleden) bekend op Facebook: “Ik heb Rod maar een paar keer ontmoet toen ik met Rory werkte, maar het was prettig hem weer te zien in 2012 toen Rod, Brendan [O’Neill] en ik, drie van Rory’s drummers, voor het eerst samen waren. Spijtig genoeg was het voor een andere treurige gelegenheid dat we bij elkaar kwamen om afscheid te nemen van Lou Martin. Mijn gedachten zijn bij zijn familie en vrienden, en de mensen die hem goed kenden en hem zullen missen.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

In memoriam: Jethro Tull-bassist Glenn Cornick (1947-2014)

Glenn Cornick, een van de originele leden van Jethro Tull, is gisteren op 67-jarige leeftijd overleden, zo maakte frontman Ian Anderson bekend op de website van de band. De bassist deed mee op de eerste drie platen This Was, Stand Up en Benefit.

De in 1947 in Cumbria, Engeland geboren Cornick had al in verschillende bands gespeeld –waaronder Jailbreakers en John Evan’s Smash – voordat hij met zanger/fluitist Ian Anderson, gitarist Mick Abrahams en drummer Clive Bunker een nieuwe, bijzondere groep oprichtte die al snel Jethro Tull gedoopt werd. Na de geflopte eerste single Sunshine Day verscheen in 1968 het debuutalbum This Was, waarop de bluesinvloeden duidelijker aanwezig waren dan op de volgende lp’s.

Met het vertrek van gitarist Abrahams maakte de blues plaats voor een mengeling van verschillende stijlen, zoals te horen is op de tweede plaat Stand Up (1969), die in Engeland op nummer 1 terechtkwam. Met non-album singles als Living In The Past en Sweet Dream scoorde Jethro Tull in hetzelfde jaar bovendien twee grote hits. Na het eveneens succesvolle album Benefit en een bijzonder optreden op het chaotische Isle Of Wight Festival in 1970 werd Cornick door manager Terry Ellis gevraagd om de band te verlaten. Zijn vervanger was Jeffrey Hammond, die meespeelde op het meesterwerk Aqualung (1971). In interviews zei Cornick dat er nooit een reden voor zijn ontslag was gegeven.

Na Jethro Tull richtte Cornick de band Wild Turkey op, die niet heel succesvol was maar wel in het voorprogramma stond van Black Sabbath (gitarist Tony Iommi had in de jaren zestig heel even deel uitgemaakt van Jehtro Tull). Een van de latere leden van Wild Turkey was Bernie Marsden, die later succes had  als gitarist bij Whitesnake. Na zijn tijd bij twee andere bands, de Duitse formatie Karthago en Paris (met voormalig Fleetwood Mac-gitarist Bob Welch) kwam Wild Turkey weer bij elkaar. In 2006 verscheen nog het album You & Me In The Jungle.

Cornick verhuisde naar Hawaï, waar hij gisteren op 67-jarige leeftijd overleed in de plaats Hilo. Tegen Hawaii Tribute Herald meldt een collega van de bassist dat de doodsoorzaak een hartaanval was. Cornick laat zijn vrouw, twee zoons en een dochter na. Op jethrotull.com schrijft Ian Anderson onder meer: “Glenn was een goedhartige man die met iedereen vrienden kon worden – zeker met andere muzikanten. Hij was altijd vrolijk en hij bracht als persoon en als muzikant veel bravoure naar de optredens van Tull.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More