Rock Facts

45 jaar geleden: Mott The Hoople brengt All The Young Dudes uit

Op 8 september 1972 werd het album All The Young Dudes van de Britse glamrockband Mott The Hoople uitgebracht op het CBS-label in het Verenigd Koninkrijk en Europa en Columbia in de Verenigde Staten. Het was de vijfde langspeelplaat van de band onder leiding van zanger Ian Hunter en bevat (uiteraard) de grote hit All The Young Dudes, die David Bowie voor de band had geschreven.

Mott The Hoople was in 1972 bijna uit elkaar gevallen, omdat het gewenste succes uitbleef, ondanks vier eerdere albums (voornamelijk op Island Records) sinds 1967, toen de band een andere sound had, meer R&B namelijk. Toen fan David Bowie te horen kreeg dat de band bijna ter ziele was, bood hij hen zijn song Suffragette City aan, dat uiteindelijk op zijn eigen Ziggy Stardust & The Spiders From Mars-album zou komen. Maar de band wees dit af.

Toen Bowie daarop zijn song All The Young Dudes aanbood, waren de muzikanten wel enthousiast. Bowie bood zich ook aan als producer van het uiteindelijk gelijknamige album en door zowel de song als de productie èn uiteraard de uitvoering door de band, werd dit eindelijk de doorbraak voor Mott The Hoople. De opnames voor het album werden tussen mei en juli 1972 gemaakt in de Olympic Studios en de Trident Studios in Londen. David Bowie werd als producer bijgestaan door de opnametechnici David Hentschel, Keith Harwood en Ted Sharp. Er was nogal wat controverse rond het album, want Island Records beweerde dat de band al aan het opnemen was, terwijl ze nog onder contract bij dit label stonden. Jaren later bevestigde Ian Hunter dit, volgens hem was het album al klaar en werd daarna pas het contract met CBS getekend.

Mott The Hoople bestond ten tijde van de opnames van het album uit de volgende muzikanten: Ian Hunter (leadzang, gitaar, piano, keyboards), Mick Ralphs (gitaar, achtergrondzang), Peter Overend Watts (basgitaar), Dale ‘Buffin’ Griffin (drums) en Verden Allen (orgel, achtergrondzang). Een flink aantal sessiemuzikanten werkte mee aan de opnames van het album (en de bonustracks die pas in 2006 het licht zagen bij de uitgebreide reissue van het album op cd).
Het hoesontwerp was van de beroemde popfotograaf Mick Rock, die ook de foto maakte en verantwoordelijk was voor de totale ‘art direction’. Voor de uitvoering van de ‘cover art’ was George Underwood verantwoordelijk, die ook de kleurcorrecties uitvoerde.

De single
De single All The Young Dudes werd op 28 juli 1972 uitgebracht en werd een behoorlijk grote hit, want bereikte in het VK de nummer drie positie op de hitparade, in de VS nummer 37 en in Canada nummer 31; in ons land was nummer 27 op de Veronica Top 40 de hoogste notering. Overigens is het wel leuk om te melden dat in de singleversie één regel veranderd moest worden, omdat de plaat anders niet op de Britse radio gedraaid zou worden. Er stond namelijk een verwijzing in naar de winkelketen Marks & Spencers en de BBC deed indertijd niet aan reclame en verwijzingen daarnaar in platen moesten worden aangepast (hetzelfde gebeurde ooit met Lola van The Kinks, waarin de naam Coca Cola werd veranderd in “cherry cola”.

All The Young Dudes werd door verschillende artiesten en bands gecoverd, zoals door Iron Maiden-zanger Bruce Dickinson op single en op zijn solodebuutalbum, ook Ozzy Osbourne en World Party coverden de song. Bowie nam het ook op en speelde het vaak bij optredens. Nadat Mott The Hoople was gestopt ging Ian Hunter samen met Mick Ronson (ex The Spiders From Mars) als Hunter-Ronson Band verder en natuurlijk werd All The Young Dudes bij alle optredens gespeeld. Tijdens het Freddie Mercury Tribute Concert in 1992 werd de song gespeeld door de overige leden van Queen samen met Ian Hunter en Mick Ronson.

Het album
Het originele album telt negen songs. Kant A opent met Sweet Jane (Lou Reed), gevolgd door Momma’s Little Jewel (Ian Hunter, Peter Watts), All The Young Dudes (David Bowie), Sucker (Hunter, Mick Ralphs, Watts) en Jerkin’ Crocus (Hunter). Kant B: One Of The Boys (Hunter, Ralphs), Soft Ground (Verden Allen), Ready for Love/After Lights (Ralphs) en afsluiter Sea Diver (Hunter). De totale speelduur is 40:47. In 2006 werd het album geremasterd uitgebracht op cd, met zeven bonustracks: One Of The Boys (demo versie) (Hunter, Ralphs), Black Scorpio (demo versie van Momma’s Little Jewel) (Hunter, Watts), Ride On The Sun (demo versie van Sea Diver) (Hunter), One Of The Boys (UK single versie) (Hunter, Ralphs), All The Young Dudes (gezongen door David Bowie en Ian Hunter) (Bowie) en twee in 1973 live opgenomen in de Hammersmith Odeon in Londen: Sucker (Hunter, Ralph, Watts) en Sweet Jane (Reed). Ready For Love kwam enkele jaren later, bewerkt, op het debuutalbum van Bad Company te staan, de band waarin Mick Ralphs zat na het uiteenvallen van Mott The Hoople.

In de Britse albumlijst werd nummer 21 bereikt en op de Amerikaanse Pop Albums-lijst nummer 89. In ons land werd de albumlijst niet bereikt. Later in 1972 bracht de vorige platenmaatschappij, Island Records (en Atlantic in de VS) een verzamelalbum uit onder de titel Rock And Roll Queen, met songs van de langspelers die de band bij dat label had uitgebracht, met weinig succes. In 1973 kwam het zesde album van de band uit, simpelweg Mott getiteld. Dit album bereikte de nummer zeven positie op de Britse albumlijst en nummer 35 op de Billboard Album Chart in de VS. Dit succes was mede te danken aan de hitsingle All The Way From Memphis, geschreven door Ian Hunter. De band toerde door het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, met in het voorprogramma een veelbelovend bandje: Queen. De bandleden van deze groep waren daar erg blij mee en Queen noemde de band ook in de tekst van Now I’m Here.

In 1974 kwam het laatste album met Ian Hunter als zanger uit, met The Hoople als titel. De band ging door, in een gewijzigde bezetting, als Mott. Deze formatie bracht twee studioalbums uit. In 2009 kwam de succesformatie weer bij elkaar voor een aantal reünieconcerten in de Londense Hammersmith Apollo (voorheen Odeon). Opnames hiervan verschenen op een 3cd. Ook in 2013 waren er soortgelijke optredens, die ook op cd èn dvd werden uitgebracht.
Het album werd uitgebracht op vinyl, muziekcassette en 8-track cassette. In 1987 kwam het album voor het eerst op cd uit, in 2006 verscheen een geremasterde versie op cd, met de bovengenoemde bonustracks. In 2014 kwam er een geremasterde versie op vinyl (180 grams) uit, in een gelimiteerde oplage.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More

5 jaar geleden: Bob Dylan brengt het album Tempest uit

Tempest is de titel van Bob Dylan’s 35ste studioalbum. Het is de meest recente plaat met zelfgeschreven materiaal – wat volgde zijn drie albums met nummers uit The American Songbook. Critici wezen gelijk op de overeenkomst in titels tussen Dylans cd en het laatste toneelstuk van Shakespeare, The Tempest. De zanger zelf hield er een eigen lezing op na.

Bob Dylan wilde in eerste instantie een religieus album maken met Tempest, in de traditie van Slow Train Coming. Maar het werd ‘slechts’ een seculiere plaat, bij gebrek aan materiaal voor ‘Godgewijde muziek’. Overigens is het geen afwaardering voor de inhoud van Tempest. De teksten en de muziek zijn van een degelijke kwaliteit.

Neem bijvoorbeeld Early Roman Kings, gebaseerd op een Muddy Waters-blues. Of Scarlet Town, een stad waar je niet gevonden wilt worden. En vergeet vooral de stevige gospelrocker Pay In Blood niet! Hoewel het geen religieus album is geworden, vind je in de teksten van Tempest wel degelijk restanten van Dylans vooronderzoek voor zijn 35ste studioalbum. Enkel de opener Duquesne Whistle, met een opmerkelijke clip, is geschreven met Robert Hunter.

Voor de productie van de cd heeft Dylan zelf getekend, onder zijn pseudoniem Jack Frost. Op de hoes is een afbeelding te zien van Pallas-Athene Fountain bij het parlementsgebouw in de Oostenrijkse hoofdstad Wenen.

De plaat eindigt met Roll On John, een ode aan de voormalige frontman van The Beatles. Hierin zijn verwijzingen opgenomen van Beatles-nummers. De relatie tussen Dylan en Lennon was misschien minder sterk dan die tussen Dylan en Paul McCartney, maar een litanie voor de vermoorde zanger kan geen kwaad.

Het titelnummer is een 14 minuten durend epos over het zinken van de Titanic. Dylan verweeft hierbij het historische verhaal met informatie uit de film Titanic van James Cameron uit 1997. De titel van dit nummer en van de plaat verwijst naar het laatste toneelstuk van William Shakespeare uit 1610–11. Maar zoals het typisch Dylaneske antwoord luidde: “Shakespeare’s last play was called The Tempest. It wasn’t called just plain Tempest. The name of my record is just plain Tempest. It’s two different titles.” (Shakespeare’s laatste toneelstuk heet The Tempest, het heet niet enkel Tempest. De naam van mijn plaat is gewoon Tempest. Het zijn twee verschillende titels.)

Daar is natuurlijk geen speld tussen te krijgen. Zoals eigenlijk nergens bij Dylan.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Read More