Verloren helden

In memoriam: The Doors-toetsenist Ray Manzarek (1939-2013)

Ray Manzarek, door ons in februari nog verkozen tot een van de allerbeste rocktoetsenisten, was mede verantwoordelijk voor het unieke en wereldberoemde geluid van The Doors. De man achter de onsterfelijke orgelklanken in klassiekers als Light My Fire is gisteren op 74-jarige leeftijd overleden.

Manzarek, van Poolse afkomst, richt in 1965 The Doors op, samen met gitarist Robby Krieger, drummer John Densmore en natuurlijk zanger Jim Morrison. Laatstgenoemde is een medestudent van Manzarek aan de filmacademie van Los Angeles. De ontmoeting met Morrison is beroemd: de twee komen elkaar toevallig tegen op een strand in Californiё, waarop de toekomstige ‘Lizard King’ aan Manzarek een vroege versie van de latere Doors-klassieker Moonlight Drive laat horen.

De band bouwt snel na de formatie een behoorlijke live reputatie op en krijgt uiteindelijk een platencontract bij Elektra. Het titelloze debuutalbum uit 1967 geldt als een van de belangrijkste en beste platen uit de popgeschiedenis. De lp bevat historische composities als Light My Fire, Break On Through en The End, allen gedomineerd door de poëtische teksten en magische stem van Morrison, en het kenmerkende, door jazz en klassiek beïnvloedde orgelwerk van Manzarek. Tijdens de optredens van The Doors schittert de toetsenist in lange, wervelende solo’s en hij levert bij gebrek aan een vaste bassist ook de bastonen. In sommige gevallen neemt Manzarek zelfs de leadzang voor zijn rekening (zoals bij het enige optreden in Nederland in 1968).

In de turbulente jaren tot Morrisons overlijden in 1971 drukt Manzarek zijn stempel op fameuze Doors-songs als When The Music’s Over, Touch Me en Riders On The Storm. Na de dood van de leadzanger blijven Densmore, Manzarek en Krieger actief als The Doors. Zo nemen de toetsenist en gitarist de zang voor hun rekening op de niet bijster succesvolle lp’s Other Voices (1971) en Full Circle (1972). Manzarek start ook een solocarrière met het album The Golden Scarab (1973), inclusief gastbijdragen van beroemdheden als Patti Smith en Joe Walsh. In 1975 richt hij de kort bestaande band Nite City op.

In 1991 wordt The Doors ontdekt door een hele nieuwe generatie muziekliefhebbers, dankzij de gelijknamige speelfilm van Oliver Stone (met Val Kilmer als Morrison en Kyle MacLachlan als Manzarek). Achteraf uit de toetsenist flinke kritiek op het volgens hem onjuiste beeld dat Stone van Morrison schetst in zijn succesvolle film: “De film portretteert Jim als een gewelddadige, dronken idioot. Toen ik de bioscoop uitkwam, dacht ik: ‘Tjonge, wie is die eikel?’”

Manzarek staat later in zijn carrière zelf ook achter de camera, als hij de erotisch getinte speelfilm Love Her Madly (2000) regisseert. Ook schrijft hij zijn herinneringen aan zijn oude band op in Light My Fire: My Life With The Doors (1998) en brengt hij een tweetal romans uit. De herinnering aan The Doors wordt levend gehouden door Manzarek en Krieger, die in eerste instantie als The Doors Of The 21st Century toeren met The Cult-zanger Ian Astbury. Omdat ex-collega Densmore niet wil dat de oude bandnaam nog gebruikt wordt, gaan Manzarek en Krieger verder als Riders On The Storm en later Ray Manzarek And Robby Krieger Of The Doors.

Ondertussen blijft Manzarek met veel plezier terugdenken aan zijn tijd met Morrison. Zo zegt hij in een interview met The London Times: “Wat een geweldig gezelschap was hij als je met hem naar de pub ging om een paar biertjes te drinken. Morrison was perfect. Hij bleef me de afgelopen veertig jaar achtervolgen en ik mis hem nog steeds.”

Op maandag 20 mei 2013 overlijdt Manzarek aan de gevolgen van kanker in een ziekenhuis in Duitsland, in het bijzijn van zijn familie. Hij laat zijn vrouw Dorothy, twee broers en een zoon met drie kinderen na. Robby Krieger meldt in een statement: “Ik ben ontzettend verdrietig door het overlijden van mijn goede vriend en collega. Ik ben blij dat ik het afgelopen decennium het Doors-materiaal heb gespeeld met hem. Ray was een groot deel van mijn leven en ik zal hem altijd missen.”

Ook John Densmore reageert op het overlijden: “Er was geen toetsenist op aarde die beter paste bij de woorden van Jim Morrison. Ray, muzikaal klikte het helemaal tussen ons. Het was alsof we hetzelfde dachten terwijl we de basis vormden waarop Robby en Jim konden drijven. Ik zal mijn muzikale broeder missen.”

Een aantal collega-rockers reageert op Twitter op het tragische nieuws. Zo schrijft Aerosmith’s Joe Perry: “Het verlies van Ray Manzarek stemt me droevig. Hij is nu bij Jim. Ze betekenen nog net zo veel voor me als veertig jaar geleden.”

Bekijk ook onze lijst met de tien beste songs van The Doors.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: Uriah Heep-bassist Trevor Bolder (1950-2013)

Trevor Bolder was de laatste decennia van zijn leven vooral bekend als bassist van Uriah Heep, maar zijn bekendste platen maakte hij met David Bowie als onderdeel van The Spiders From Mars. Gisteren overleed de 62-jarige muzikant na een gevecht tegen alvleesklierkanker.

Iets meer dan een jaar geleden zag ik Bolder nog optreden met Uriah Heep in het Arnhemse Luxor Live. Een man die op het podium erg bescheiden overkwam, maar met zijn melodieuze en uitermate goed getimede basspel zoals altijd de nodige indruk wist te maken. Op dat moment was er nog niets te merken van de moeilijke tijd die voor Bolder in het vooruitzicht lag.

Trevor Bolder leerde halverwege de jaren 60 Mick Ronson kennen, omdat beiden actief waren in de muziekscene van hun woonplaats Hull. “We zaten in rivaliserende bands”, zei Bolder in een interview uit 1993. “Ik speelde Muddy Waters-achtige R&B en hij kwam met The Rats meer in de buurt van The Yardbirds en Cream.” In 1969 richtte Ronson na het uiteenvallen van The Rats samen met drummer Mick Woodmansey de band Ronno op, waarbij Bolder zich als bassist voegde. “Ik had daarvoor nooit gedacht dat wij ooit samen zouden gaan spelen”, aldus Bolder in 1993. Van Ronno kwam uiteindelijk niets, maar de carrière van het drietal stond wel degelijk op het punt een ommezwaai te maken.

Die ommezwaai kwam in de vorm van een telefoontje van David Bowie. Ronson en Woodmansey hadden op The Man Who Sold The World (1970) al met hem samengewerkt, en voor opvolger Hunky Dory ging ook Bolder mee de studio in. Het was het begin van de band die een album later bekend zou gaan staan als The Spiders From Mars. In die hoedanigheid speelde Bolder op platen als Ziggy Stardust, Aladdin Sane en Pin Ups. Ook met blaasinstrumenten kon hij overweg, zoals te horen is aan het trompetspel op Hunky Dory (1971). In 1975 maakte The Spiders From Mars (inmiddels zonder Ronson) nog een eigen, titelloos album.

In 1976 voegde Bolder zich bij Uriah Heep, waar hij John Wetton verving. Met die band zou hij uiteindelijk de rest van zijn leven spelen, op een kleine pauze in 1982 na toen hij kortstondig de bas ter hand nam bij Wishbone Ash (waar hij opmerkelijk genoeg opnieuw de plaats van John Wetton innam). Sinds 1983 is hij weer fulltime lid van Uriah Heep en speelde mee op alle platen van de band. Ook produceerde hij het album Different World uit 1991 en deed hij de leadzang op de nummers Fear Of Falling en Lost.

In januari van dit jaar werd de bassist plotseling vervangen bij Uriah Heep, waarna de band liet weten dat ze Trevor een spoedig herstel toewensten. Geruchten over een mogelijke hartaanval staken de kop op, maar een maand later liet de muzikant zelf in een interview weten dat hij geopereerd was in verband met alvleesklierkanker. Hij hoopte toen binnen een aantal maanden weer met de band op het podium te kunnen staan en gaf aan zelfs een Spiders Of Mars-reünie in de planning te hebben, maar dat mocht allemaal niet zo zijn. Op 21 mei overleed de 62-jarige muzikant.

Zowel fans als collega’s reageerden bedroefd op de dood van Bolder. Uriah Heep laat weten: “Trevor was één van de beste en meest invloedrijke bassisten die Groot-Brittannië heeft voortgebracht. (…) Hij was bovendien een dierbare vriend.” Ook David Bowie reageerde via zijn Facebook-pagina op het overlijden: “Trevor was een geweldig muzikant en een ware inspiratie voor elke band waar hij mee werkte. Maar hij was vooral een toffe gozer, een groot man.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: Jefferson Airplane-drummer Joey Covington (1945-2013)

Hoewel hij niet zo bekend was als Skip Spence of Spencer Dryden, maakte ook Joey Covington enkele jaren indruk als drummer van Jefferson Airplane. In zijn tijd met die legendarische band richtte hij ook de band Hot Tuna op met Airplane-collega’s Jorma Kaukonen en Jack Casady. Covington kwam gisteren om het leven in een auto-ongeluk.

In de beroemdste songs van Jefferson Airplane, waaronder Somebody To Love en White Rabbit, is Covington niet te horen. De drummer kwam pas in 1969 bij de band, tijdens de opnames van een van de beste studioplaten die de populaire psychedelische groep uitbracht: Volunteers (1969). Covingtons percussie was slechts in twee tracks van de lp te horen, waaronder een van de hoogtepunten: Turn My Life Down, met Stephen Stills op orgel.

Rond deze tijd richtte Covington met Jefferson Airplane-leden Jorma Kaukonen (gitaar) en Jack Casady (bas) de bluesrockact Hot Tuna op, hoewel de eerste opnames van deze formatie nooit zijn verschenen. Aan de Hot Tuna-albums vanaf het titelloze, live akoestisch opgenomen debuut uit 1970 werkte Covington niet meer mee. In plaats daarvan verving Covington de drummer van de ‘klassieke’ Jefferson Airplane-lineup: Spencer Dryden (overleden in 2005). Ook is hij te horen op het vaak onderschatte soloalbum van Paul Kantner (onder de naam Paul Kantner/Jefferson Starship), getiteld Blows Against The Empire (1970), en de opvolger met Grace Slick: Sunfighter (1971).

Hoewel de beste platen in de jaren zestig verschenen, leverde Covington een verdienstelijke bijdrage aan het album Bark (1971), de enige Jefferson Airplane-lp waarop hij (vrijwel) alle drumpartijen voor zijn rekening nam. Als co-auteur en zanger van het hypnotiserende nummer Pretty As You Feel bezorgde Covington de band zijn laatste top 100-hit in Amerika. Deze single ontstond uit een jam met Carlos Santana en percussionist Michael Shrieve van de bevriende band Santana.

Tijdens de opnamesessies van de opvolger Long John Silver (1972) verliet Covington de band weer, hoewel hij nog wel in enkele tracks van de lp te horen is. Later in de jaren zeventig, na het uiteenvallen van Jefferson Airplane, bracht de getalenteerde muzikant een soloalbum uit (Jeo E. Covington’s Fat Fandango, 1973) en werkte hij nog af en toe mee aan de (zij)projecten van zijn oud-collega’s. Zo schreef hij mee aan With Your Love, een van de grootste hits van Jefferson Starship.

Vanaf eind jaren zeventig tot in de jaren tachtig toerde Covington met onder anderen John Cipollina van de sixtiesband Quicksilver Messenger Service als San Francisco Allstars. In de decennia daarna verdween Covington steeds meer uit de spotlights en trad hij alleen nog op in de omgeving van Palm Springs in Californiё. Daar kwam hij dinsdag ook om het leven, toen hij – zonder autogordel om – met zijn auto tegen een muur klapte. Het nieuws werd bevestigd in een simpel berichtje op de Facebook-pagina van Jefferson Starship: “Rest in peace, Joey.”

Joey Covington is 67 jaar geworden.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: invloedrijk singer-songwriter J.J. Cale (1938-2013)

“Van alle elektrische gitaristen die ik ooit heb gehoord, moeten Hendrix en J.J. Cale wel de beste zijn”, zei Neil Young ooit. De zeer invloedrijke Cale, verantwoordelijk voor rockklassiekers als Cocaine en After Midnight, is gisteravond op 74-jarige leeftijd overleden. Continue reading “In memoriam: invloedrijk singer-songwriter J.J. Cale (1938-2013)” »

Lees verder

In memoriam: Mothers Of Invention-toetsenist George Duke (1946-2013)

George Duke, de beroemde toetsenist die op meerdere albums van Frank Zappa te horen is en met een groot aantal jazzlegendes samenwerkte, overleed maandag aan de gevolgen van leukemie.

Vanaf halverwege de jaren zestig bracht George Duke al enkele albums uit, waaronder een met de beroemde violist Jean-Luc Ponty. Het was Ponty die de toetsenist in contact bracht met Frank Zappa, zo vertelde Duke in een interview met Jazz Review: “Jean-Luc nam me mee op tour naar Europa in de late jaren zestig. De jazz die we speelden was heel eclectisch, erg progressief. Ik speelde op Jean-Luc’s album King Kong, waarin de muziek van Zappa te horen was. Dat werd een undergroundsucces. Uiteindelijk belde Frank me om te vragen of ik wilde toeren met The Mothers Of Invention.”

Ook in de studio werkte hij samen met cultlegende Zappa. Zo was Duke voor het eerst te horen op de lp Chunga’s Revenge uit 1970, waarna hij ook de keyboardpartijen op klassiekers als Over-nite Sensation (1973) en Apostrophe (‘) (1974) voor zijn rekening nam. Een van Duke’s belangrijkste bijdragen aan het oeuvre van Zappa is het meesterlijke Inca Roads van de lp One Size Fits All. Niet alleen speelt Duke de toetsen, hij werd – op aandringen van Zappa – ook de leadzanger in dat nummer.

Het feit dat Duke in Zappa’s band speelde, zegt al iets over de virtuositeit van de muzikant. Toch stelde hij zich bescheiden op in het interview met Jazz Review: “Om Franks muziek te kunnen spelen, moest je een geweldige muzikant zijn. Die jongens waren, behalve knettergek, echt geweldige spelers. Om eerlijk te zijn, weet ik niet precies waarom ik in de band zat. Ze zagen iets in mij, maar dat zag ik niet in mezelf.”

Naast een reeks Zappa-albums en een groot aantal platen onder eigen naam, werkte Duke samen met grootheden in diverse genres, onder wie Miles Davis, John Scofield, Al Jarreau en Michael Jackson. In 2010 speelde Duke nog op North Sea Jazz.

George Duke overleed in een ziekenhuis in Los Angeles. Hij werd 67 jaar. Bekijk en beluister hieronder een grandioze uitvoering van Inca Roads, afkomstig van de Frank Zappa-dvd A Token Of His Extreme:

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: Blue Öyster Cult-toetsenist Allen Lanier (1946-2013)

Allen Lanier, een van de oorspronkelijke bandleden van Blue Öyster Cult, is gisteren op 67-jarige leeftijd overleden. De toetsenist en gitarist leed aan de longziekte COPD.

In het New York van 1967 vormt Lanier met gitarist Buck Dharma, zanger Les Braunstein (snel vervangen door Eric Bloom), bassist Andrew Winters en drummer Albet Bouchard de band Soft White Underbelly, dat na vele optredens en naamswisselingen in 1971 omgedoopt wordt tot Blue Öyster Cult. Vaak wordt gezegd dat Lanier de bedenker is van de puntjes op de ‘o’ in de bandnaam, maar Richard Meltzer (die vaak teksten schrijft voor de band) beweert dat het een idee van hem is.

De eerste twee albums Blue Öyster Cult (1972) en Tyranny And Mutation (1973) zijn in commercieel opzicht weinig succesvol, maar de band weet wel een ‘cult following’ op te bouwen. Allen Lanier krijgt een verhouding met een dan nog onbekende Patti Smith, later bekend als ‘The Godmother of Punk’, die poëtische teksten bijdraagt aan het werk van BÖC. Het werk van de band wordt dan ook gezien als een intelligentere vorm van heavy metal.

Na de briljante lp Secret Treaties (1974) breekt Blue Öyster Cult definitief door met de overbekende classic rock-kraker (Don’t Fear) The Reaper, van het album Agents Of Fortune (1976). Op die lp staat Lanier meer op de voorgrond; het nummer True Confessions is door hem geschreven en gezongen. Hij werkt ook als co-auteur of gastmuzikant mee aan een drietal beroemde albums van Patti Smith: Horses (1975), Radio Ethiopia (1976) en Easter (1978).

Blue Öyster Cult blijft ondertussen redelijk succesvol met albums als liveklassieker Some Enchanted Evening (1978) en Fire Of Unknown Origin (1981, inclusief de hit Burnin’ For You). Lanier verlaat de band in 1985, vanwege artistieke meningsverschillen (naar verluidt vindt de muzikant het nieuwe geluid van de band maar niets en is hij ook niet tevreden met het grote aantal schrijvers dat bijdraagt aan de songs). Op de eerstvolgende BÖC-studioplaat Club Ninja is zijn vervanger Tommy Zvoncheck.

Twee jaar later keert Lanier toch weer terug. Hij blijft toetsenist van Blue Öyster Cult tot hij in 2006 wil stoppen met optreden. Echter, in november 2012 verschijnt hij toch nog een laatste keer op het podium met zijn oude collega’s van de invloedrijke hardrockband, tijdens een concert in New York. Op 14 augustus overlijdt hij aan de gevolgen van de longziekte COPD.

Zanger Eric Bloom schrijft op Facebook: “Mijn goede vriend Allen Lanier is overleden. Ik zal hem missen ook al hebben we elkaar al een tijdje niet meer gesproken. Hij was een erg getalenteerd muzikant en denker. Hij was een gulzig lezer van allerlei dingen, vooral vergelijkende godsdienstwetenschappen. We hebben jaren samen gereisd en in de beginjaren waren we kamergenoten. We feestten, lachten en speelden. Alle Blue Öyster Cult-fans en bandleden zullen zijn dood betreuren.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: Legendarische ‘Rock ‘N’ Roll Animal’ Lou Reed (1942-2013)

Lou Reed overleed gisteren op 71-jarige leeftijd. Daarmee is de wereld een van de grootste rockiconen armer. Diverse vrienden en collega’s reageerden via social media op de dood van de eigenzinnige kunstenaar.

Een legende als Lou Reed heeft geen introductie meer nodig. Alleen al dankzij zijn werk als lid van The Velvet Underground had hij een gigantische invloed op de toekomst van de rockmuziek, terwijl hij als solist bekend is van klassiekers als Walk On The Wild Side en Perfect Day. In juni vorig jaar gaf Reed nog een gedenkwaardig concert in de Heineken Music Hall, waarbij hij onder meer materiaal van The Velvet Underground en zijn samenwerking met Metallica uitvoerde.

Dankzij zijn met de jaren steeds meer naar praten neigende zang en bijzondere, innovatieve gitaarwerk werd Reed een van de meest onderscheidende rockmuzikanten. Ook de poëtische teksten van zijn hand, die niet zelden controversiële thema’s als dood, seks en drugs behandelden, zijn tot op de dag van vandaag onvergelijkbaar, terwijl een toepasselijk getitelde plaat als Rock ‘N’ Roll Animal (1974) bewees dat hij ook live sensationeel kon zijn.

Nadat hij in 1964 naar New York verhuisde, ontmoette Reed violist John Cale en richtte hij The Velvet Underground op. Kunstenaar Andy Warhol merkte het experimentele gezelschap op toen hij kwam kijken bij een optreden in Café Bizarre. Bijgestaan door zangeres Nico kwam de legendarische lp The Velvet Underground & Nico (1967) tot stand, gestoken in Warhols befaamde ‘banaanhoes’. De drie albums die dit experimentele gezelschap vervolgens tussen 1968 en 1970 uitbracht, verkochten niet al te goed, maar worden tegenwoordig door critici de hemel in geprezen. In deze periode schreef Reed al een groot aantal van zijn beroemdste songs, waaronder I’m Waiting For The Man, I’ll Be Your Mirror, White Light/White Heat, Pale Blue Eyes en natuurlijk het lied met een van de beroemdste rockriffs aller tijden: Sweet Jane.

Nadat hij The Velvet Underground in 1970 verliet, nam Reed een weinig succesvol en titelloos solodebuut op, opmerkelijk genoeg bijgestaan door leden van progband Yes. Die lp werd in hetzelfde jaar (1972) gevolgd door het vele malen betere Transformer, geproduceerd door David Bowie en gitarist Mick Ronson. Deze plaat sloeg wel aan en bracht vier van Reeds grootste klassieker voort: de nog steeds verdomd goed klinkende hit Walk On The Wild Side, Perfect Day, Vicious en Satellite Of Love.

Moedig genoeg bracht de zanger vervolgens het sombere meesterwerk Berlin (1973) uit, dat destijds op weinig goede kritieken kon rekenen. Nummers als Sad Song en The Kids gingen door merg en been. Met name die laatste, vooral dankzij het huiveringwekkende gehuil van kinderen. Veel toegankelijker waren de liveplaat Rock ‘N’ Roll Animal, waarvan met name de versie van Sweet Jane (voorafgegaan door een heerlijk gitaarintro) bekend is, en Sally Can’t Dance. Op laatstgenoemde stond het aangrijpende Kill Your Sons, over zijn tijd in een psychiatrisch ziekenhuis. De ouders van de toen jonge Reed dachten hem daarmee van zijn psychologische problemen af te helpen.

Onluisterbaar. Zo werd door veel fans en critici het dubbelalbum met gitaarfeedback Metal Machine Music (1975) genoemd. Opnieuw bewees Reed zich een van de meest eigenzinnige artiesten van zijn tijd, maar door deze logischerwijs geflopte plaat nam zijn succes flink af, ondanks de hoge kwaliteit van de ‘gewonere’ opvolger Coney Island Baby. Eveneens uitstekend was Street Hassle (1978), met een titeltrack waarin niemand minder dan Bruce Springsteen langskwam. “Ik kende Steve Van Zandt en we vroegen Steve of Bruce een monoloog wilde doen voor dit nummer. Bruce stemde toe… maar we mochten zijn naam niet gebruiken. Ik had gewild dat alle Bruce-fans de plaat hadden gekocht, maar aangezien we zijn naam niet mochten vermelden, denken ze dat ze mij hem horen imiteren.”

Ook begin jaren tachtig bleven de albums vrij slecht verkopen, ook al waren de lp’s The Blue Mask (1982) en Legendary Hearts (1983) misschien wel de beste die hij sinds Berlin had gemaakt. De grote comeback volgde pas in 1989, met het album New York. De teksten waren zo briljant als vanouds, terwijl ook het geïnspireerde gitaarwerk van Mike Rathke en Reed zelf opviel. Eveneens magistraal was de plaat die hij met oud-Velvets-collega John Cale maakte voor Andy Warhol: Songs For Drella, inclusief onder meer Reeds emotionele Hello It’s Me. De dood speelde opnieuw een hoofdrol in de teksten op het onderschatte Magic And Loss (1992).

Met Cale werkte Reed in 1993 opnieuw samen voor reünieoptredens van The Velvet Underground. Het bleken ook de laatste van de band, want twee jaar later stierf (bas)gitarist Sterling Morrison. Aan hem droeg Reed het lied Finish Line op, te vinden op Set The Twilight Reeling (1996). Voor die plaat nam hij verder ook onder meer het humoristische Sex With Your Parents (Motherfucker) op.

Reed begon het nieuwe millennium sterk met een van zijn vele onderschatte werken: Ecstasy (2000), gevolgd door het met gastartiesten als David Bowie en Antony Hegarty opgenomen The Raven (2003). Daarna bracht de rocker lange tijd geen platen meer uit, maar droeg hij wel bij aan platen van moderne acts als The Killers en Gorillaz. Een optreden met Metallica ter gelegenheid van het vijfentwintigjarige bestaan van de Rock & Roll Hall Of Fame resulteerde in het bijzonder slecht ontvangen album Lulu (2011).

Lulu bleek Reeds laatste plaat. Eerder dit jaar maakte zijn vrouw Laurie Anderson bekend dat hij een levensreddende levertransplantatie had ondergaan. Reed verklaarde vervolgens: “Ik kijk ernaar uit om weer op het podium op te treden, en om meer songs te schrijven die verbonden zijn met jullie harten en geesten, en het universum tot ver in de toekomst.”

Gisteren overleed Reed op 71-jarige leeftijd in zijn huis in Long Island. De oorzaak van zijn dood is nog niet bekend. Op Facebook schrijft ex-collega John Cale: “De wereld is een geweldige songwriter en dichter kwijtgeraakt… Ik ben mijn schoolpleinmaatje kwijt.” Een andere beroemde en bevriende muzikant, David Bowie, noemt Reed een ‘meester’. Tijdens het Bridge School Benefit in Mountain View, Californiё brachten onder anderen Neil Young en Elvis Costello gisteren een ode aan de legendarische ‘Rock ‘N’ Roll Animal’.

Bekijk ook onze lijst met de tien beste songs van Lou Reed.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: Caravan-drummer Richard Coughlan (1947-2013)

Richard Coughlan, de oorspronkelijke drummer van de progressieve rockformatie Caravan, is op 66-jarige leeftijd overleden. Hij speelde op geprezen albums als If I Could Do It All Again, I’d Do It All Over You en de klassieker In The Land Of Grey And Pink.

Coughlan, geboren in Kent, volgde in 1966 de beroemde Robert Wyatt op als drummer van The Wilde Flowers. Hoewel de band slechts kort bestond en geen echte successen boekte, was deze act van groot belang voor de zogeheten Canterbury Scene. De verschillende leden richtten namelijk de invloedrijke bands The Soft Machine en Caravan op.

“The Wilde Flowers gaven niet veel optredens”, vertelde Coughlan in de BBC-documentaire Prog Rock Britannia, “Misschien één per week, want we waren niet echt populair. De leden luisterden graag naar Thelonious Monk, John Coltrane en Dizzy Gillespie, en probeerden een soort dansbare versie van dat soort muziek te maken. Gewoon om anders en lastig te zijn.”

De overgebleven Wilde Flowers-leden Coughlan, bassist Richard Sinclair, gitarist Pye Hastings en toetsenist David Sinclair besloten verder te gaan onder de naam Caravan. Eenmaal gecontracteerd bij Verve Records verscheen in 1968 het titelloze debuut, waarop de band een eigen sound wist te ontwikkelen door psychedelische en progressieve rock te combineren met invloeden uit klassiek en jazz.

Het debuut werd twee jaar later overtroffen werd door de lp met de opmerkelijke titel If I Could Do It All Over Again, I’d Do It All Over You, maar voor velen is het voor progliefhebbers onmisbare derde album In The Land Of Grey And Pink (1971) het hoogtepunt uit het oeuvre van Caravan. Hoe goed Coughlan als drummer was, is onder meer te horen in het zeer complexe, ruim 22 minuten durende epos Nine Feet Underground. De artistieke hoogtijdagen uit de vroege jaren zeventig wist de band later niet meer te evenaren. Caravan ging begin jaren tachtig uit elkaar, maar was vanaf 1990 weer actief. De band stond vorige maand nog in de Boerderij te Zoetermeer, al was Coughlan wegens ziekte niet meer van de partij.

Op de officiële Facebook-pagina van Caravan werd het overlijden van Coughlan bekendgemaakt: “Met groot verdriet kondigen we aan dat Richard Coughlan op zondag 1 december overleden is. Richard was een van de oprichters van Caravan en langer dan 43 jaar de drummer. Hij stierf in zijn huis en verkeerde de afgelopen jaren in slechte gezondheid.”

Volgens Kent Online reageerde Caravan-bandlid Pye Hastings als volgt: “Richard was een uitstekende muzikant en zal voor altijd herinnerd worden. Niet alleen door ons, maar door fans overal ter wereld. Wat hij Caravan door de jaren heen gegeven heeft, was uniek en compleet onmeetbaar.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: Ex-Toto-zanger Fergie Frederiksen (1951-2014)

Voormalig Toto-frontman Dennis ‘Fergie’ Frederiksen is op 62-jarige leeftijd overleden. De zanger is te horen op het album Isolation (1984) en werkte ook met bands als Le Roux en Survivor.

De in Michigan geboren Frederiksen begon zijn muzikale carrière al in zijn tienerjaren, beïnvloed door zangers als Robert Plant, Paul Rodgers en Stevie Wonder. Hij verving Tommy Shaw (later bekend van Styx) in de band MSFunk, waarna zijn typerende hoge stemgeluid te horen was bij bands als Trillion en aor-formatie Le Roux. Ook zong Frederiksen mee op uiterst succesvolle albums als Eye Of The Tiger van Survivor.

Dankzij producer en bassist Ricky Phillips kreeg Toto-drummer Jeff Porcaro een tape van de talentvolle zanger in handen. “Voor ik het wist werd ik gevraagd om bij Toto te komen”, aldus Frederiksen in de biografie op zijn website. Hij verving de ontslagen Bobby Kimball, die met de overige leden al bezig was aan de opvolger van het megasucces Toto IV. Met Frederiksen werd het redelijk succesvolle album Isolation (1984) afgemaakt, waarvan een hele reeks singles getrokken werd maar alleen Stranger In Town de Amerikaanse top 40 bereikte.

“Het was een avontuurlijke plaat”, zei de zanger later over Isolation, “Hier hoorde je een band die een risico nam door een minder commercieel album te maken dan de voorganger. Het was een zwaarder en progressiever werk, maar het is nog steeds een erg goed album.” Hoewel Frederiksen nog wel te zien is op de bandfoto op de Toto-soundtrack van Dune – ook uit 1984 – was deze lp afgezien van dialoog uit de film een instrumentaal werk.

Frederiksens bleef niet lang bij Toto. Ook hij werd ontslagen om vervangen te worden door Joseph Williams – met wie de band een commerciële comeback maakte met het album The Seventh One (1988). De zanger trok zich terug omdat hij genoeg had van de muziekbusiness, totdat hij halverwege de jaren negentig een album uitbracht met de eerder genoemde Ricky Phillips (tegenwoordig overigens de bassist van Styx).

In het nieuwe millennium, in 2007, stond Frederiksen weer even op het podium met zijn oud-collega’s van Toto tijdens een Amerikaanse tour. Drie jaar later maakte hij bekend dat hij leverkanker had. Sindsdien bracht de rocker twee soloalbums uit op het Frontiers-label: Happiness Is The Road (2011) en het vorig jaar verschenen Any Given Moment – waarvoor hij het lied Angel Don’t Cry van Toto’s Isolation opnieuw opnam.  De titel van zijn laatste plaat verklaarde Frederiksen als volgt in een persbericht: “Je weet nooit wat er kan gebeuren. Maar als je liefde, vertrouwen, familie en vrienden hebt, maakt het de uitdagingen in het leven makkelijker te overwinnen. Ik ben dankbaar dat ik dat allemaal heb.”

Op zijn officiële website werd gisteren het overlijden van Frederiksen bekendgemaakt: “Het is met pijn in het hart dat ik moet mededelen dat mijn Fergie Frederiksen op 18 januari overleden is. Hij heeft geen pijn geleden en zijn werk blijft voortleven! Fergie is een ware overwinnaar en vechter geweest en daardoor bracht hij nog een paar extra jaren met ons door.”

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder

In memoriam: Iggy & The Stooges-drummer Scott Asheton (1949-2014)

Scott Asheton, de invloedrijke drummer van Iggy & The Stooges, is op 64-jarige leeftijd overleden. Samen met Iggy Pop was hij het enige oorspronkelijke lid dat deel uitmaakte van alle bezettingen van de band.

Iggy Pop maakte het nieuws gisterenavond bekend in een bericht op zijn Facebook-pagina. “Mijn goede vriend Scott Asheton is afgelopen nacht overleden”, schreef de zanger, “Scott was een geweldige artiest, ik heb nooit iemand meer betekenis horen geven aan de drums dan hij. Hij was als een broer voor me en samen met Ron [Asheton] heeft hij de wereld een grote erfenis nagelaten. De Ashetons waren altijd als een tweede familie voor mij en dat zijn ze nog steeds.”

Scott Asheton beïnvloedde met zijn meedogenloze percussie op de Stooges-platen een heleboel latere punkdrummers. De in Washington geboren muzikant maakte al op jonge leeftijd muziek met zijn broer Ron en goede vriend Dave Alexander, die beiden ook deel uitmaken van de band op de legendarische eerste twee albums The Stooges (1969, geproduceerd door John Cale van The Velvet Underground) en Fun House (1970). Beide albums deden het net als de derde lp Raw Power (1973) in commercieel opzicht niet heel goed, maar de invloed op latere punkbands als Ramones en Sex Pistols bleek gigantisch.

In 1974 kwam een (voorlopig) einde aan de machtige platen en de wilde shows toen de band besloot uit elkaar te gaan. In een interview zei Asheton over de breuk: “Toen we stopten, voelde het alsof ik een familie was kwijtgeraakt. Ik bleef in bands spelen, maar het voelde nooit meer als mijn thuis. Ik was niet meer bij de band waar ik bij hoorde, The Stooges, en dat was een triest gevoel.”

Tegen het einde van de jaren zeventig speelde Asheton bij Sonic’s Rendezvous Band, een nieuw project van gitarist Fred ‘Sonic’ Smith (bekend van MC5). Pas in 2003 kwam The Stooges weer bij elkaar, met als resultaat enkele nieuwe nummers op Iggy Pop’s soloalbum Skull Ring. Vier jaar later kwam er ook weer een volledige plaat van de garagerockers: de slecht ontvangen vierde studioplaat The Weirdness. In dat jaar vond ook een memorabel optreden op het Nederlandse Pinkpop-festival plaats.

Ashetons oudere broer Ron stierf in 2009 aan de gevolgen van een hartaanval. Iggy Pop besloot door te gaan met de band, nu met gitarist James Williamson. In juni 2011 stopte Scott Asheton met toeren nadat hij met spoed naar het ziekenhuis werd gebracht, naar verluidt vanwege een beroerte. Wel speelde de drummer nog mee op het vorig jaar verschenen Iggy & The Stooges-album Ready To Die. Onlangs liet Williamson weten dat er nog een album in het verschiet ligt, ditmaal zonder Iggy. Re-Licked, zoals de plaat heet, bevat niet eerder uitgebrachte Stooges-nummers die opnieuw zijn opgenomen met enkele beroemde gastzangers, onder wie Mark Lanegan.

Scott Asheton overleed zaterdag op 64-jarige leeftijd. De doodsoorzaak is nog niet bekend.

U kunt meer van het nieuws op de bron lezen

Lees verder